Oh no! Where's the JavaScript?
Your Web browser does not have JavaScript enabled or does not support JavaScript. Please enable JavaScript on your Web browser to properly view this Web site, or upgrade to a Web browser that does support JavaScript.
Ćwiczenia: strona bierna – kurs holenderskiego | HR Kamer
Registration Using the portal is free

Ćwiczenia i powtórka · 26 / 27

Ćwiczenia: strona bierna

To część dla osób, które znają już odmianę i czasy. Ćwicz zdania z worden, imiesłowami i czasownikami modalnymi.

Rozwiąż zadania samodzielnie — możesz zapisać odpowiedzi na kartce. Otwórz „Sprawdź odpowiedzi”, gdy skończysz. W zadaniach otwartych podajemy przykłady, a nie jedyne możliwe zdania.

Ćwiczenie 38. Strona bierna: teraźniejszość

Zmień zdania czynne w bierne. Zachowaj wykonawcę czynności w części z „door”.

  1. De leraar leest het boek.
  2. De kinderen eten de taart.
  3. De vrouw koopt de bloemen.
  4. De man maakt het avondeten.
  5. Het team wint de wedstrijd.
Sprawdź odpowiedzi
  1. Het boek wordt door de leraar gelezen.
  2. De taart wordt door de kinderen gegeten.
  3. De bloemen worden door de vrouw gekocht.
  4. Het avondeten wordt door de man gemaakt.
  5. De wedstrijd wordt door het team gewonnen.

Można też umieścić część z „door” za imiesłowem, np. „Het boek wordt gelezen door de leraar”.

Ćwiczenie 39. Strona bierna: przeszłość

Zmień zdania czynne w bierne w imperfectum.

  1. De leraar las het boek.
  2. De kinderen aten de taart.
  3. De vrouw kocht de bloemen.
  4. De man maakte het avondeten.
  5. Het team won de wedstrijd.
Sprawdź odpowiedzi
  1. Het boek werd door de leraar gelezen.
  2. De taart werd door de kinderen gegeten.
  3. De bloemen werden door de vrouw gekocht.
  4. Het avondeten werd door de man gemaakt.
  5. De wedstrijd werd door het team gewonnen.

Ćwiczenie 40. Strona bierna: przyszłość

Zachowaj konstrukcję z „zullen”. Pamiętaj o bezokoliczniku „worden”.

  1. De leraar zal het boek lezen.
  2. De kinderen zullen de taart eten.
  3. De vrouw zal de bloemen kopen.
  4. De man zal het avondeten maken.
  5. Het team zal de wedstrijd winnen.
Sprawdź odpowiedzi
  1. Het boek zal door de leraar gelezen worden.
  2. De taart zal door de kinderen gegeten worden.
  3. De bloemen zullen door de vrouw gekocht worden.
  4. Het avondeten zal door de man gemaakt worden.
  5. De wedstrijd zal door het team gewonnen worden.

Ćwiczenie 41. Uzupełnij stronę bierną

Wstaw odmienione „worden” oraz imiesłów. Uwaga na liczbę pojedynczą i mnogą.

  1. De brief ___ door de student ___. (schrijven)
  2. Het huis ___ door de schilder ___. (verven)
  3. Er ___ door de tuinman water aan de bloemen ___. (geven)
  4. Het eten ___ door de kok ___. (klaarmaken)
  5. De les ___ door de docent ___. (geven)
Sprawdź odpowiedzi
  1. De brief wordt door de student geschreven.
  2. Het huis wordt door de schilder geverfd.
  3. Er wordt door de tuinman water aan de bloemen gegeven.
  4. Het eten wordt door de kok klaargemaakt.
  5. De les wordt door de docent gegeven.

Punkt 3: ogrodnik daje wodę kwiatom. „Water” jest tutaj dopełnieniem bliższym, a „aan de bloemen” określa odbiorcę. Dlatego w pokazanej konstrukcji używamy „wordt”, nie „worden”.

Ćwiczenie 42. Popraw imiesłowy w stronie biernej

Popraw czasownik na końcu każdego zdania.

  1. Het boek wordt door de leraar leest.
  2. De taart wordt door de kinderen eet.
  3. De bloemen worden door de vrouw koopt.
  4. Het avondeten wordt door de man maakt.
  5. De wedstrijd wordt door het team wint.
Sprawdź odpowiedzi
  1. Het boek wordt door de leraar gelezen.
  2. De taart wordt door de kinderen gegeten.
  3. De bloemen worden door de vrouw gekocht.
  4. Het avondeten wordt door de man gemaakt.
  5. De wedstrijd wordt door het team gewonnen.

Ćwiczenie 43. Strona bierna z „kunnen” i „moeten”

Zmień zdania w bierne, zachowując znaczenie możliwości albo konieczności.

  1. De leraar kan het boek lezen.
  2. De kinderen moeten de taart eten.
  3. De vrouw kan de bloemen kopen.
  4. De man moet het avondeten maken.
  5. Het team kan de wedstrijd winnen.
Sprawdź odpowiedzi
  1. Het boek kan door de leraar gelezen worden.
  2. De taart moet door de kinderen gegeten worden.
  3. De bloemen kunnen door de vrouw gekocht worden.
  4. Het avondeten moet door de man gemaakt worden.
  5. De wedstrijd kan door het team gewonnen worden.

Nie każdą konstrukcję można przestawić mechanicznie. „De vrouw wil de bloemen kopen” znaczy, że to kobieta chce kupić kwiaty; „De bloemen willen…” błędnie przypisywałoby chęć kwiatom. Dlatego w tym zadaniu ćwiczymy „kunnen” i „moeten”.

Ćwiczenie 44. Trzy czasy strony biernej

Dla każdego zdania napisz trzy wersje bierne: teraźniejszą, przeszłą prostą i z „zullen”.

  1. De leraar leest het boek.
  2. De kinderen eten de taart.
  3. De vrouw koopt de bloemen.
  4. De man maakt het avondeten.
  5. Het team wint de wedstrijd.
Sprawdź odpowiedzi

1. De leraar leest het boek.

  • Teraźniejszość: Het boek wordt door de leraar gelezen.
  • Przeszłość: Het boek werd door de leraar gelezen.
  • Przyszłość: Het boek zal door de leraar gelezen worden.

2. De kinderen eten de taart.

  • Teraźniejszość: De taart wordt door de kinderen gegeten.
  • Przeszłość: De taart werd door de kinderen gegeten.
  • Przyszłość: De taart zal door de kinderen gegeten worden.

3. De vrouw koopt de bloemen.

  • Teraźniejszość: De bloemen worden door de vrouw gekocht.
  • Przeszłość: De bloemen werden door de vrouw gekocht.
  • Przyszłość: De bloemen zullen door de vrouw gekocht worden.

4. De man maakt het avondeten.

  • Teraźniejszość: Het avondeten wordt door de man gemaakt.
  • Przeszłość: Het avondeten werd door de man gemaakt.
  • Przyszłość: Het avondeten zal door de man gemaakt worden.

5. Het team wint de wedstrijd.

  • Teraźniejszość: De wedstrijd wordt door het team gewonnen.
  • Przeszłość: De wedstrijd werd door het team gewonnen.
  • Przyszłość: De wedstrijd zal door het team gewonnen worden.

Autor materiału źródłowego: Krzysztof Zaremba · HR Kamer