Rozwiąż zadania samodzielnie — możesz zapisać odpowiedzi na kartce. Otwórz „Sprawdź odpowiedzi”, gdy skończysz. W zadaniach otwartych podajemy przykłady, a nie jedyne możliwe zdania.
Ćwiczenie 38. Strona bierna: teraźniejszość
Zmień zdania czynne w bierne. Zachowaj wykonawcę czynności w części z „door”.
- De leraar leest het boek.
- De kinderen eten de taart.
- De vrouw koopt de bloemen.
- De man maakt het avondeten.
- Het team wint de wedstrijd.
Sprawdź odpowiedzi
- Het boek wordt door de leraar gelezen.
- De taart wordt door de kinderen gegeten.
- De bloemen worden door de vrouw gekocht.
- Het avondeten wordt door de man gemaakt.
- De wedstrijd wordt door het team gewonnen.
Można też umieścić część z „door” za imiesłowem, np. „Het boek wordt gelezen door de leraar”.
Ćwiczenie 39. Strona bierna: przeszłość
Zmień zdania czynne w bierne w imperfectum.
- De leraar las het boek.
- De kinderen aten de taart.
- De vrouw kocht de bloemen.
- De man maakte het avondeten.
- Het team won de wedstrijd.
Sprawdź odpowiedzi
- Het boek werd door de leraar gelezen.
- De taart werd door de kinderen gegeten.
- De bloemen werden door de vrouw gekocht.
- Het avondeten werd door de man gemaakt.
- De wedstrijd werd door het team gewonnen.
Ćwiczenie 40. Strona bierna: przyszłość
Zachowaj konstrukcję z „zullen”. Pamiętaj o bezokoliczniku „worden”.
- De leraar zal het boek lezen.
- De kinderen zullen de taart eten.
- De vrouw zal de bloemen kopen.
- De man zal het avondeten maken.
- Het team zal de wedstrijd winnen.
Sprawdź odpowiedzi
- Het boek zal door de leraar gelezen worden.
- De taart zal door de kinderen gegeten worden.
- De bloemen zullen door de vrouw gekocht worden.
- Het avondeten zal door de man gemaakt worden.
- De wedstrijd zal door het team gewonnen worden.
Ćwiczenie 41. Uzupełnij stronę bierną
Wstaw odmienione „worden” oraz imiesłów. Uwaga na liczbę pojedynczą i mnogą.
- De brief ___ door de student ___. (schrijven)
- Het huis ___ door de schilder ___. (verven)
- Er ___ door de tuinman water aan de bloemen ___. (geven)
- Het eten ___ door de kok ___. (klaarmaken)
- De les ___ door de docent ___. (geven)
Sprawdź odpowiedzi
- De brief wordt door de student geschreven.
- Het huis wordt door de schilder geverfd.
- Er wordt door de tuinman water aan de bloemen gegeven.
- Het eten wordt door de kok klaargemaakt.
- De les wordt door de docent gegeven.
Punkt 3: ogrodnik daje wodę kwiatom. „Water” jest tutaj dopełnieniem bliższym, a „aan de bloemen” określa odbiorcę. Dlatego w pokazanej konstrukcji używamy „wordt”, nie „worden”.
Ćwiczenie 42. Popraw imiesłowy w stronie biernej
Popraw czasownik na końcu każdego zdania.
- Het boek wordt door de leraar leest.
- De taart wordt door de kinderen eet.
- De bloemen worden door de vrouw koopt.
- Het avondeten wordt door de man maakt.
- De wedstrijd wordt door het team wint.
Sprawdź odpowiedzi
- Het boek wordt door de leraar gelezen.
- De taart wordt door de kinderen gegeten.
- De bloemen worden door de vrouw gekocht.
- Het avondeten wordt door de man gemaakt.
- De wedstrijd wordt door het team gewonnen.
Ćwiczenie 43. Strona bierna z „kunnen” i „moeten”
Zmień zdania w bierne, zachowując znaczenie możliwości albo konieczności.
- De leraar kan het boek lezen.
- De kinderen moeten de taart eten.
- De vrouw kan de bloemen kopen.
- De man moet het avondeten maken.
- Het team kan de wedstrijd winnen.
Sprawdź odpowiedzi
- Het boek kan door de leraar gelezen worden.
- De taart moet door de kinderen gegeten worden.
- De bloemen kunnen door de vrouw gekocht worden.
- Het avondeten moet door de man gemaakt worden.
- De wedstrijd kan door het team gewonnen worden.
Nie każdą konstrukcję można przestawić mechanicznie. „De vrouw wil de bloemen kopen” znaczy, że to kobieta chce kupić kwiaty; „De bloemen willen…” błędnie przypisywałoby chęć kwiatom. Dlatego w tym zadaniu ćwiczymy „kunnen” i „moeten”.
Ćwiczenie 44. Trzy czasy strony biernej
Dla każdego zdania napisz trzy wersje bierne: teraźniejszą, przeszłą prostą i z „zullen”.
- De leraar leest het boek.
- De kinderen eten de taart.
- De vrouw koopt de bloemen.
- De man maakt het avondeten.
- Het team wint de wedstrijd.
Sprawdź odpowiedzi
1. De leraar leest het boek.
- Teraźniejszość: Het boek wordt door de leraar gelezen.
- Przeszłość: Het boek werd door de leraar gelezen.
- Przyszłość: Het boek zal door de leraar gelezen worden.
2. De kinderen eten de taart.
- Teraźniejszość: De taart wordt door de kinderen gegeten.
- Przeszłość: De taart werd door de kinderen gegeten.
- Przyszłość: De taart zal door de kinderen gegeten worden.
3. De vrouw koopt de bloemen.
- Teraźniejszość: De bloemen worden door de vrouw gekocht.
- Przeszłość: De bloemen werden door de vrouw gekocht.
- Przyszłość: De bloemen zullen door de vrouw gekocht worden.
4. De man maakt het avondeten.
- Teraźniejszość: Het avondeten wordt door de man gemaakt.
- Przeszłość: Het avondeten werd door de man gemaakt.
- Przyszłość: Het avondeten zal door de man gemaakt worden.
5. Het team wint de wedstrijd.
- Teraźniejszość: De wedstrijd wordt door het team gewonnen.
- Przeszłość: De wedstrijd werd door het team gewonnen.
- Przyszłość: De wedstrijd zal door het team gewonnen worden.
Nederlands
English
Polski